Rust - column Mees

Rust. Iets wat van kinds af aan omschreven wordt als iets positiefs. Ik word er juist doodongelukkig van.

Ik was 13 toen ik het hoge woord er uitfloepte. Ik was op een feestje, high van de AH eigen merk energy toen een meisje aan mij vroeg of ik op jongens val. Ik, helemaal high van de suiker dus floep eruit: “JA!” Ik was 13 en ik had zojuist een keuze gemaakt die me de rest van mijn leven zou blijven achtervolgen, want zo voelde het de eerste jaren, alsof ik werd achtervolgd door een onrust. Ik denk dat ik gewoon een beetje verslaafd ben aan onrust. Of aandacht, misschien wel allebei. Ik was jong, te jong achteraf. Ik was een onzekere puber op zoek naar constante bevestiging dat ik er mocht zijn, dat het oke was om af te wijken.

Ik was daarom ook nooit echt een makkelijk kind; ik wilde overal bij zijn terwijl mijn lichaam aan alle kanten schreeuwde dat het genoeg was. Ik was op. Dat ben ik inmiddels al 18 jaar. Op. Ik vind het altijd heel makkelijk om te zeggen dat je iets niet kan, omdat je het allemaal wel prima vindt, je het allemaal maar net red. Maar toch kan ik het niet, dat hele rust nemen. Ik woon sinds ik 17 ben op mezelf en altijd in een studio of appartement, zonder mensen om me heen. En soms, dan word ik er doodongelukkig van, als ik dan in de woonkamer, op mijn oude, versleten chesterfield bank hang en ik alle stories op Snapchat voorbij zie komen van mensen die samen zijn, dan voel ik me net Remi alleen op de wereld. Dan mis ik die aandacht. De bevestiging van dat ik er mag zijn en dat het oke is om af te wijken. Dan voel ik me weer dat 13 jarige jongetje dat, high van de AH eigen merk energy, een keuze maakt die hem de rest van zijn leven achtervolgt.

En zo eindig ik elke avond alsnog in onrust. Onrust in mijn hoofd.

Maar ik hoop, dat ik ooit die gedachtes kan loslaten, dat ik niet meer constant op zoek ben naar de bevestiging van een ander, en dat ik rust heb. Want dat gun ik mezelf. Rust.